Hartelijk Opgroeien: Kleine Kangaroe moet er dwars doorheen

In deze ‘week van de opvoeding’, publiceer ik een aantal keer Hartelijke-Opgroei-Posts: persoonlijke blogs over helpen opgroeien vanuit het hart.

Vandaag over de kracht van verhalen bij het opgroeien, over ‘framing’, loslaten en leren vertrouwen op jezelf en het leven. Over Kleine Kangaroe: hoe mijn brugpieper maar niet de wijde wereld in leek te willen… net als Kleine Kangaroe uit het gelijknamige prentenboek van Guido van Genechten. En er dwars doorheen moest, net als de kinderen in ‘Wij gaan op berenjacht’ van Helen Oxenbury.

Eerst iets over het verhaal en de kracht van verhalen in opvoeding:
Verhalen vertellen vaak over een diepere waarheid, levensles of thema dat een kind onbewust herkent. Dat wat het niet met woorden kan uitleggen, kan het wel in beelden: in verhalen, in sprookjes of gedichten. Een goed gekozen verhaal, of zelfs voor dat kind geschreven ‘helend verhaal’, kan het kind onbewust iets leren, dat je met ‘gewone’ taal niet kunt overbrengen. Bovendien pikt het kind er precies de dingen eruit die het op dat moment nodig heeft.
Kleine Kangaroe van Guido van Genechten is een prachtig, ontroerend en warm geillustreerd prentenboek over Kleine Kangaroe die maar niet uit de buidel van zijn mama wil. Wat mama Kangaroe ook probeert, haar kleintje vindt alles eng, stom, raar, vies of ‘niets voor haar’. Het is veel te fijn bij mama in de buidel!
Mama komt op het punt van opgeven en gaat zitten. Dan komt er een andere Kleine Kangaroe aangesprongen… met zulke grote mooie sprongen dat Kleine Kangaroe hup de buidel uitspringt, met de andere Kangaroe mee, de wijde wereld in. Want haar kleintje wil net zo leren springen…!

De enige weg: die van je hart
Maar zover was mijn lieve, mooie brugpieper nog lang niet. Gevoelig, maar ook behoorlijk weerbaar en verstandig. Ze koos ervoor om naar een middelbare school te gaan waar niemand anders in haar woonplaats naar toe gaat. ‘Alleen’, zoals ze dat zelf noemde. Ze wist dat ze het wilde, diep in haar hart, maar oh wat vond ze het eng. Zo alleen!
De stap naar de middelbare school is voor elk kind al groot, maar ook de fysieke afstand, het zelfstandig moeten reizen met openbaar vervoer en het feit dat ze ‘alleen’ zou gaan, maakte diepe indruk op haar. Zo diep, dat de hele zomervakantie het weer ‘onbestemd, donker en buiig’ was in haar hart. Met moeite konden wij, haar ouders, onszelf blijven overtuigen van de juiste keuze.
We wisten dat er maar een weg was: die van ons hart, die van haar hart. En dat de wijze zou zijn: we moeten er wel dwars doorheen. Het boek ‘wij gaan op berenjacht’ gaat hier eigenlijk over: dwars door het bang zijn, de onzekerheid, de nieuwigheid… om te komen waar je wilt zijn.

We wilden haar voorbereiden door te oefenen, en dat deed ze schoorvoetend, oke dan, mee in de bus naar Amersfoort en van daaruit verder. Maar ze klampte zich stevig vast aan mama en papa Kangaroe. Erover praten was de hele vakantie taboe.

Week van de waarheid
Totdat de week van de waarheid aanbrak en het allemaal echt zou beginnen.
Wij hadden al lang in de gaten dat de stap te groot was om alleen te maken. Dus we smeedden een plan: mijn man had een werkplek geregeld in de plaats van haar school en zou twee weken volledig meereizen met het openbaar vervoer.

Grote Kangaroe en kleine Kangaroe trokken dus de wereld in en bekeken alles om zich heen: station, bushaltes, treintijden, mensen, wc’s, betaalsystemen, routes om te lopen etc.
Elke ochtend, om 6.50, deden ze hun rugzak om en liepen het pad af, naast elkaar, richting bushalte. Mijn hart keerde zich een paar keer om van alle gevoelens die ik erbij had.

Ziek
Maar er kwam een moment dat ze een stukje van het traject alleen moest gaan reizen, als eerste stap in het ‘loslaten’ en ‘zelf doen’.
Als voorbereiding trok ik haar bij me op de bank en las haar voor uit Kleine Kangaroe. Ik zei gewoon: net als vroeger lieverd, even gezellig samen. Ze luisterde aandachtig en zuchtte toen het boek uit was. Het bleef even stil. ‘Mama, dat einde van het verhaal moet heel anders. Dat vind ik stom.’
Verwonderd vroeg ik: ‘wat bedoel je lievie?’
‘Nou, kleine kangaroe kan toch altijd TERUG in de buidel?!”
Ik glimlachtte opgelucht en knuffelde haar lang. ‘Natuurlijk kan kleine Kangaroe altijd terug in de buidel. En jij ook.’
Zo bleven we even zitten en ze huilde zachtjes.
Ik vroeg haar me aan te kijken en zei: ‘Bloeme, onze buidel en ons huis zijn er altijd. Elke dag kom je weer terug in onze buidel, mag je bij ons knuffelen, met ons praten, gewoon bij ons zijn. Dan kun je daarna weer de wijde wereld in. En kom je weer terug… steeds opnieuw.’
Ze knikte. ‘Ik hoef het niet helemaal alleen te doen toch?’
‘Nee, we doen het samen.’
Dat was het voor dat moment, opgelucht ging ze slapen.

De volgende dag moest ze het laatste stuk van het traject alleen reizen. Met haar mobiele telefoon als navelstreng stevig in haar handen geklemd, deed ze dapper wat er van haar gevraagd werd.
Het ging goed, ze was euforisch, het was haar gelukt!

Maar de dag erna werd ze heel moe wakker en klaagde over pijntjes en ditjes en datjes. Ik dacht; smoesjes. Dus hup, naar school en de terugreis weer een stukje alleen…
Twee uur later werd ik gebeld: Kleine Kangaroe was ziek.
Ze werd echt ziek: vijf dagen hoge koorts.
Griep? Ja, vast. Maar ook iets anders: iets in haar was aan het veranderen, aan het groeien, tegen alle weerstand in. Die innerlijke strijd kwam met stoom uit haar oren. En hoge koorts.
We praten wat, zij vertelde vooral veel. Heel veel.
Het was duidelijk dat ik iets moest doen om haar te stutten in haar vertrouwen, want ze vond heel veel mensen op het station ‘eng’: grote mannen, rare zonnebrillen, harde geluiden… Als hooggevoelig kind ontzettend veel ‘prikkels’ om te verwerken. Doe daarbij de innerlijke onzekerheid en voila, je hebt een krachtige mix waar we heel gauw een ander ingredient aan toe moesten voegen.

Helpend verhaal en nieuw ‘frame’
Dat werden de herinnering aan ‘Kleine Kangaroe’ in het verhaal en de ‘reframing’ van wat ze meemaakte. Reframing is dat je op een ander, hartelijke, helpende manier kijkt naar wat er gebeurt. Je zet als het ware een nieuwe lijst om dezelfde tekening: maar nu een lijst die de hele tekening in een ander, lichtere, blijere context zet.
Het zat ‘m in het woord: ‘alleen reizen.’ Ze houdt niet van ‘alleen’ en in feite was ze dat ook niet: met nog heel veel andere mensen die haar konden helpen als er iets was EN de navelstreng ‘mobiele telefoon’ in de hand.
Ik verving –zonder het met haar erover te hebben- het woord ‘alleen’ in: ‘zelfstandig reizen’. Meteen merkte ik een verandering.
Als een kangaroe spitsten haar oren zich, en ging ze rechtop zitten. Dit klonk al beter. Het woord had duidelijk een goed effect. Het haalde de negatieve lading af van haar reizen en maakte het tot iets met perspectief, met kracht.
De Kleine Kangaroe uit het verhaal had iemand gevonden waar het mee de wijde wereld in trok. En zo was het met Bloeme ook: ze had inmiddels vriendinnen in haar nieuwe klas en keek uit naar elke schooldag. Super school, super klas, super vriendinnen en een superlieve juf (op die school houd je een vaste leerkracht drie uur per dag en de andere leerkrachten ‘vliegen’ in om in hetzelfde klaslokaal Engels, Duits of bijv Wiskunde te geven).
Kortom: een heleboel ‘andere’ Kangaroes’ om zich op te verheugen.
Alleen de reis moest ze…zelfstandig doen. Maar ook daar had ze altijd ons heel dichtbij: met de telefoon. En in de bus bleken ook een paar best vriendelijke grote-Kangaroes te zitten, evenals in de trein. En zo kwam het dat onze Kleine Kangaroe op een dag zei: maar pap, ga jij maar, ik doe het wel zelf.’ En zo zijn we, inmiddels drie weken later dan gepland, op het punt dat ze bijna helemaal alleen, oeps, zelfstandig!, reist.
Een woord dat ze opeens overal gebruikt: ik wil zelfstandiger worden pap, dus je hoeft in juni niet mee met werkweek.
Kortom: ik kan het!
Zelluf!

Gevoelens van onveiligheid

Mijn dochters hebben zondag voor het eerst in de tent geslapen naast het huis. Elf en negen zijn ze. Trots was ik en blij, want vooral mijn oudste ziet overal beren op de weg. Ze zei zelfs letterlijk, de dag ervoor toen een vriendinnetje kwam logeren: ‘maar mama, straks trekt iemand ons uit de tent en verdwijnen we.’ Ik heb haar gerustgesteld met feiten (dat gebeurt heeeel erg zelden) en door haar dicht tegen me aan te houden. Ik zei; ‘hoe zou je jezelf kunnen geruststellen als je weer zo’n ‘enge’ gedachte hebt?’ Ze keek me aan, legde haar hand op haar hart en zei: ‘ik ben veilig, ik ben in mijn eigen tuin en papa en mama zijn dichtbij.’ Zo was het goed. Ze gingen slapen, diep en lang.

En toen las ik de berichten over de meisjes in onze naaste omgeving (Bunschoten en Hoevelaken) die vermoord waren teruggevonden. En over de bus/ auto met twee mannen die meisje in de omgeving van hun fiets hadden proberen te trekken.
Ik schrok me kapot.
En alles wat daar bij hoort, welde ook in mij op.
Ik had –of maakte- te weinig tijd om het een plekje te geven, het er te laten zijn en dus lag in in bed wakker en keek naar het plafond. Gevoelens willen gezien en gehoord wordenen dus kwamen ze in de vermomming van zorgen, paniekerige beelden en angst voor de toekomst.

Totdat ik net met mijn hulp koffie zat te drinken –en het gesprek ging natuurlijk ‘daar’ over- en ik een foto zag van haar pasgeboren kleinzoon.
Ik smolt.
En ik merkte: mijn adem verdiept zich, mijn gezicht ontspant, de zorgelijke gedachten verdwenen als sneeuw voor de zon. En opeens wist ik weer hoe ik om moet gaan met deze gevoelens van onveiligheid, die we, helaas, allemaal steeds vaker hebben in onze maatschappij ook al is die veiliger dan ooit tevoren in de geschiedenis (feit!).

Ik deel het graag met jullie, zodat je jezelf, maar ook je kind hierin kunt begeleiden.
Mentaal:
- Deel de feiten, maar laat nare details achterwege, vooral bij kinderen onder de twaalf. Je kunt je zelfs afvragen of je kinderen onder de 8 moet vertellen dat de meisjes zijn omgebracht. Zij kunnen dat sowieso nog niet ‘bevatten’, dus je kunt ook zeggen dat ze door een heel naar ongeluk zijn overleden. Het is wat je daarin zelf verstandig vindt: jij kent je kind het beste. Realiseer je wel dat vooral jonge kinderen heel gevoelig kunnen zijn en dit soort dingen en bepaalde woorden veel indruk kunnen maken. Benadruk in ieder geval dat de kans dat zoiets gebeurt, ontzettend klein is. Tip: Beeld het uit door een cirkel te tekenen, waar een stipje in de cirkel de ‘kans’ is dat het gebeurt (voor de beelddenkende kinderen).
- Onderzoek door open vragen te stellen hoe je kind denkt over de situaties (of het nu dit geval is of terrorisme bijv). Klopt het met de feiten? Geef zo overzicht en rust in het hoofd.
- Onderzoek ook met open vragen hoe het kind denkt over zijn eigen veiligheid: wat heeft dit met jou te maken? Beeld ook dit uit: teken/schrijf op dat je je eigen wereld hebt, waarin het veilig is (hopelijk) en trek een streep tussen die met de ‘rest’ van de wereld. Is dat voldoende of is er meer nodig?
- Geef het kind het gevoel van ‘macht’ terug: wat kan het zelf doen om zich veiliger te voelen? Dit geeft het kind weer (zelf)vertrouwen. Straal ook zelf uit dat je je kind hierin vertrouwt en geef duidelijk aan wat jij zelf wilt/kunt doen. Zo werk je samen en dat geeft ook een fijn, gesteund gevoel
- Gebruik de kracht van positieve, lieve woorden die geruststellen. Laat het kind samen met jou dat soort woorden vinden, bijv: ik ben veilig in mijn bed met mijn knuffels, want mama/papa is beneden. Herhaal deze zinnen een aantal keren per dag. Zo stuur je je brein positieve prikkels, waar je hele lijf op gaat reageren met ontspanning en vertrouwen.
- Als een kind vaker zelf echt onveilig is geweest, kan het zijn dat het kind al negatieve overtuigingen heeft over zijn eigen veiligheid. Het is belangrijk die op te sporen en te vervangen door nieuwe, helpende overtuigingen, zoals hierboven beschreven. Je kunt hiervoor de hulp inschakelen van een professional.

Fysiek:
Je zorgen maken is ook een vorm van overprikkeling, die van binnenuit komt. Je kunt je er volledig door overspoeld voelen. Gespannen voelen etc.
Het is dan belangrijk om ook en vooral via het lichaam (met onze huid, dat ons grootste zintuig is) weer tot rust te komen. Dat kan op de volgende manieren:
- Knuffel veel, raak veel aan op manieren die koesterend en rustgevend zijn. Dat is voor elk kind anders. Dus vraag: wat vind je fijn.. wat heb je nodig?
- Als je hoofd vol zit, is het nuttig om je aandacht te verplaatsen naar een ander deel van je lijf: je buik en je voeten. Loop daarom op blote voeten, bijv. door het gras. Stamp, spring, huppel…
- Doe samen met je kind de SSS-adem… die ik zelf erg ontspannend vind als ik me zorgen maak. Ga rustig zitten in kleermakerszit of lig op je rug. Adem een paar keer met aandacht in en uit. Adem dan rustig in door je neus en laat de adem via je je mond op een SSSS-klank uitstromen. Tuit je mond er een beetje bij. Sluit je ogen, leg je handen op je buik, dan stroomt de adem vanzelf dieper je buik ik. Herhaal dit zolang als het nodig is. Je kunt jezelf er ook bij voorstellen dat je hoofd langzaam leegstroomt…alsof alle nare gedachten door je mond naar buiten stromen met de sssssssss van ‘ssst stil maar het is al goed’.
- Doe veel rustgevende oefeningen: vooroverbuigingen uit de kinderyoga werken erg kalmerend

Emotioneel:
- Geef het kind de ruimte om op zijn manier emoties te uiten: sommigen willen keihard muziek aan hebben, anderen willen stil huilen of juist tekenen of kleien. Het makkelijkst is dit als je het over het onderwerp hebt en dan iets aanbiedt/vraagt: wat heb je nu nodig? Wat vind je nu fijn? Zullen we die angst/verdriet een plekje geven? Dan ben jij het kwijt….
- Weet je nog wat ik schreef over de foto van de baby? Zoek bewust fijne dingen op: mooie natuurbeelden, beelden van baby’s of diertjes, mooie muziek… Je lichaam en je hart (!) hebben dit nodig. Want de wereld is veel groter… met veel meer moois dan lelijks. Tegelijkertijd gebeurt er fysiek iets heel belangrijks als je jezelf omringt met schoonheid/tedere dingen: je hart gaat coherent kloppen (gelijkmatig, ritmisch), je adem verdiept, je denken wordt weer helder, zorgen verdwijnen. Dit noem je ook wel ‘hartcoherentie’.

Kijk wat werkt voor jou en jouw kind(eren) of pubers. Het door mij ontwikkelde ‘Hartenpakket’ zou je ook nog verder kunnen helpen, wie weet fijn voor in de zomervakantie.
En als je vragen erover hebt, mail me gerust. Ik hoop dat dit je helderheid en meer ‘tools’ heeft gegeven om hiermee om te gaan. Veel hart & kracht toegewenst!
Wendy

Vlinderdenken

Onze eigen dochter had een ‘fixed-mindset’ en daar moest ze zo snel mogelijk van af, want het blokkeerde haar groei, haar ontwikkeling. En het was niet zomaar iemand die dat zei. Nee, het was een alom gerespecteerd kinderpyscholoog met zeer veel kennis over dyslectie en hoogbegaafdheid. Mijn lieve, blonde en blozende dochter van amper acht zat ‘vast’ in haar denken.
Toen hij het zei wist ik: dit klopt helemaal. En we moeten hier direct iets mee, nu. Alsof er een soort oer-drive wakker werd ging ik erover lezen, opleiding in volgen en het geleerde natuurlijk direct in de praktijk brengen.

Het wierp al heel snel zijn vruchten af: de onzekere, schuchtere blik in haar ogen maakte binnen een paar maanden plaats voor een open, diepblauwe oogopslag waarin ik haar sprankelende IK-je herkende.

Nu heb ik mezelf natuurlijk wel meteen (!) afgevraagd hoe het kon dat ik, leerkracht, kindercoach en kinderyogadocent, dit over het hoofd had gezien? Na een paar dagen de last van schuldgevoelens te hebben gedragen, heb ik ze gevangen, liefdevol aangekeken en losgelaten. Ik ving ze met mijn ‘vlindernet’: het net waarin ik alle negatieve gedachten vang die mij niet dienen. Die me kleiner maken. Ongelukkig. Moe. Vertwijfeld.
Liever heb ik gedachten die me vlindervleugels geven.

Terwijl ik mezelf elke keer opnieuw ‘betrapte’ op negatieve gedachten, bleef ik –meestal- vriendelijk naar mezelf en verving ze voor opbouwende gedachten, door: ‘vlinderdenken’.
Mijn eigen verhalen over Vlinder & Slak inspireerden me hier enorm bij. Want opeens realiseerde ik me dat allebei de vriendjes uit dit boeken moesten leren om ‘vlindergedachten’ te hebben: te denken in mogelijkheden, in wensen en in verlangens. In wat je al kunt. Wat al is gelukt.

En meteen wist ik ook dat het natuurlijk het op groei-gedachten gebaseerde, vooruitkijkende kind is dat zijn vleugels sterk genoeg acht om de wijde wereld in te gaan? Mijn lieve Veerle had dat niet, maar door het gebruik van ‘groei-zinnen’ (Els Pronk) hebben we samen Veerle’s denken vleugels gegeven. Een voorbeeld: ze vond het altijd heel erg eng om over de spoorwegovergang te fietsen en het liefst ontweek ze dat. Want als er treinen komen moest ze stoppen. En dan weer opstappen. Met al die auto’s en fietsers om haar heen…
Ik moedigde haar wel aan, maar het ontbrak aan iets.

Dat iets waren de vlindervleugels van het vlinderdenken: ik liet haar het perspectief zien dat je hebt als je een vlinder bent: je kunt zowel terugkijken (en vliegen) al vooruitkijken en zien waar de zon al schijnt. Ik zei dan: lieverd, het lukt je steeds beter om het te durven. Elke keer dat je eroverheen rijdt, heb je geoefend om het te durven. Straks gaat het vanzelf… wedden?’ Veerle houdt wel van wedstrijdjes, want zo’ kind is het, en ze voelde zich uitgedaagd, aangemoedigd en vooral ook; gezien en erkend in haar angst en haar strijd daarmee.

Na de zomer fietste ze weer richting de spoorwegovergang.
Ze vroeg: ‘mam, denk je dat er weer een trein komt?’
Ik zei: ‘het is wel trein-tijd.’
Veerle zei: ‘nou, dat geeft niks. Het lukt me toch wel.’
Mijn hart glom en danste van geluk. Stralend keek ze me aan. Ik hoefde niets meer te zeggen. Ze was ervaren geworden in het ‘vlinderdenken’.
En daarmee had ze zichzelf vleugels gegeven.

Ontpoppen

Soms denk ik weleens dat kinderen net vlinders in wording zijn.
Ze hebben tijd nodig om van eitje naar rups te groeien, waarin ze rijkelijk voorzien zijn van licht (liefde), voedsel (melk ;-) en later vast voedsel) en veiligheid (fysiek en emotioneel).
Als rups is het leven best enerverend, maar de kinderen van vandaag hebben over het algemeen hele drukke, door technische snufjes gestuurde levens.

Wij zijn de eerste generatie ouders, opvoeders, leerkrachten en coaches en therapeuten die kinderen voor zich hebben die in sommige opzichten soms wijzer zijn dan zij. Maar die nog steeds, net als Klein Duimpje, heel veel richting, duidelijkheid en liefde nodig hebben om niet te verdwalen in het grote woud dat Het Leven heet.
Kinderen van nu hebben vooral onze liefde, duidelijkheid, veiligheid en structuur nodig om op te groeien tot prachtige vlinders.
Maar nu komt het: een vlinder word je niet zomaar…

Een rups wordt pas een vlinder als hij de tijd krijgt om zich een huisje te bouwen… en daar een tijdje in te verblijven. In alle rust. Stilte. En eenvoud.

En laat dat nu iets zijn dat in ons gehaaste, stampvolle leven vaak ver te zoeken is.

Aan het begin van de lente geef ik daarom graag een paar tips om het ontluikende ‘vlinder’leven in je kind ook de kans te geven zich te manifesteren:

1. Zorg dat je kind tijd, ruimte en veiligheid krijgt om zijn eigen coconnetje te bouwen, waar het altijd naar terug kan, letterlijk en figuurlijk. Letterlijk bijv. een fijne eigen kamer of plek dat helemaal van hem of haar is. Met een trouwe knuffel die altijd klaar staat. Laat het zoveel mogelijk zelf kleuren, materialen en vormen uitkiezen en wees creatief: niet alles hoeft duur uit de winkel, het gaat om de sfeer die het kind probeert te maken. Figuurlijk: help het kind te ontdekken wie het is, wat zijn kwaliteiten zijn, dromen en wensen.
2. Geef het kind tijd om daadwerkelijk in zijn eigen huisje te zijn…: minder clubjes, afspraakjes dan je misschien ‘normaal’ vindt of je kind zou toewensen. Tijd in zijn eigen huis is minstens zo belangrijk om alles te laten bezinken.
3. Spreek je vertrouwen en waardering uit over hoe het kind zich ontwikkelt, niet gericht op de resultaten, maar op hoe het ‘het doet’. Welke kleine stapjes je ziet in zijn ontwikkeling. Bijv: “ik zie dat je steeds beter voor jezelf opkomt, wat fijn voor je!”. Dit noem ik ‘lieve woorden groei-zinnen’

En tot slot voor jou als ouder: neem soms even ‘afstand’. Bekijk en bewonder je kind, deze vlinder in wording en geniet van de vlindervleugels die je (vaak) al ziet verschijnen en fladderen. Want elk kind heeft ze! En elk kind zal ontpoppen, als je het de ruimte geeft om zich eerst een huis te bouwen.

(Voor)leestip: lees samen het omkeer- en ontmoetboek Vlinder & Slak, waarin Vlinder ontdekt dat ze haar eigen ‘huis’ altijd bij zich heeft (en daarin tot rust kan komen)… en Slak ervaart hoe hij vlindervleugels kan voelen, ook al voelt hij zich soms wat langzaam en klein.
Nu te bestellen op www.deopenplek.nl

Het Fluwelen Konijn

Ze is lekker bezig: met een muts op haar hoofd zit ze al een tijdje te knippen, te naaien en te vullen. Het moet een mini-beertje worden, voor mee naar school. Ze is net een maand tien. Ik blijf in de buurt om zo nu en dan een helpende hand toe te steken als dat nodig was. Het gaat goed.
Totdat ze opeens in huilen uitbarst en roept: ‘hij is helemaal mislukt! Die stomme beer is helemaal mislukt!’
Ze gooit ‘m weg en stampt naar de keuken. Ik vraag haar bij me te komen en haar beertje te laten zien. Ze smijt ‘m naar me toe alsof het afval is. Ik bekijk het eens aandachtig en ben direct ontroerd door de plukjes pluizewol die eruit steken, de naad die op sommige plekken nog open is… En dat is precies wat ik zeg. Ik zeg: ‘Bloeme, ik zie ook dat er gaatjes in zitten en ik snap dat je daarom teleurgesteld bent. Ik zie ook een heel schattig beertje…, met die plukjes wol die eruit piepen… Ken je dat verhaal van het fluwelen konijn? Dat gaat over een heel oud konijn dat helemaal stuk is, en niemand wil meer met ‘m spelen. Maar het is dan wel een oud konijn, het is ook een heel lief konijn…’
Bloeme luistert aandachtig. Opeens pakt ze haar beertje weer op en kijkt het liefdevol aan. Ze zegt: ‘Mam, hij is eigenlijk ook wel schattig he?’ En ze loopt er hummend mee weg. Ze begint nog wat te naaien en zegt met opgetogen stem: ‘Nou en, dan is ie maar een beetje lelijk, ik houd toch van ‘m! Nog even oogjes maken…, he Noor?’ Ze huppelt naar onze hond, aait ‘m en vervolgt haar weg naar de lade met knoopjes.
Ze zoekt iets voor de oogjes, maar kan niets passend vinden. Ook knipt ze een mini-sjaal van flanel, omdat het winter is.
De oogjes moet ik erop naaien, want dat kan ze ‘echt’ nog niet. Dat vind ik voor nu oké, ze heeft al genoeg uitdaging gehad.
Ze verzucht met een twinkeling in haar ogen: ‘Ik wist echt niet dat ik het af zou krijgen. Ik ben zo blij!’
Ik: ‘Ja.. dat is je dan maar weer mooi gelukt!’
Zij: ‘Ja, ik ben wel trots op mezelf!’ En ze glimt.
‘Wat fijn voor je’, zeg ik, trots op haar en op mezelf. Of eigenlijk meer gelukkig met mezelf en met haar: want terwijl ik de oogjes erop borduur, realiseer ik me dat ik haar heb geleerd om met andere ogen te leren kijken, met hartelijke ogen. Naar zichzelf, want haar teleurstelling was oké, maar ook naar het beertje wat ze had gemaakt. Een andere blik en opeens had het beertje weer waarde. Had zij ook weer waarde.
Opeens zegt ze:
‘Maar mama, lees je me dan straks ook nog dat verhaal voor? Want dan ben ik wat minder onzeker over van alles. Dingen die ik niet leuk vindt aan mezelf.’ En dan volgt er een lijstje. Ik laat haar even begaan, gewoon haar onzekerheid benoemen. Ik ga het niet anders willen maken, ik ga haar voorlezen uit het Fluwelen Konijn.
En ik weet bijna wel zeker dat ze zich deze les elke keer (onbewust) herinnert, als ze knuffelt met haar fluwelen… beertje.


← ouder nieuwer →